Dec 10, 2006
Nov 30, 2006
Een stem uit de as
vertaald door:Ad van der Ceelen
Overal waar ik keek verscheen het gezicht van die man voor mijn ogen. In de straten en de bazaars, overal dacht ik dat hij mij volgde. Als ik naar de voorbijgangers keek speurde ik naar hem…een man die met houten krukken liep, zijn benen geamputeerd boven de knieen, in smerige witte kleren die overdekt waren met opgedroogde bloedvlekken en een tulband die in lussen om zijn nek hing.
Deze vreemde, angstaanjagende man liet me nooit met rust, zelfs niet in mijn slaap. Overal was hij bij me. Ik probeerde van hem af te komen maar tevergeefs. Hij was overal bij me en praatte voortdurend tegen me. Hij wilde me niet met rust laten. Hij mompelde iets vlak bij mijn oor, vaag en alsmaar hetzelfde.
Ik dacht erover hem te vinden, met hem te praten en hem te smeken mij met rust te laten; ik ben onschuldig; ik ben niet schuldig, ik heb niks verkeerds gedaan. Maar ik kon hem niet vinden.
De eerste keer dat ik hem zag was in de nieuwe houthandel in de bazaar in onze stad. En ik vond hem in mijn kamer die nacht. Ik vluchtte weg van hem en zag hem niet meer terug, of misschien zag ik hem toch nog een keer.
Die nacht werd ik wakker door de schreeuw van een vrouw. Het was in het holst van de nacht. Verdwaasd stond ik op. Het was donker in de kamer. Ik deed alle moeite om de lamp te vinden, maar voordat ik ze had gevonden verbrak het gierend geluid van een kogel de nachtelijke stilte, en het schreeuwen en gillen van vrouwen vulde de nacht.
Ik wou de lamp vinden. Ik was bang. Misschien was er iemand neergeschoten op straat. Maar…mijn lamp?! Waar was mijn lamp?! Ineens merkte ik dat de kachel in mijn kamer aan was. Verbijsterd staarde ik naar de kachel. Mijn hele lichaam werd door angst bevangen. Hoe kon de kachel vanzelf aan gaan? Ik was al vele dagen alleen. Ik had een hekel aan die kachel, en ook al was het koud in mijn kamer, ik wilde ze toch niet aansteken.
Bevreesd keek ik naar de vlammen in de kachel. Ik wreef een paar keer mijn ogen uit om er zeker van te zijn dat ik wakker was. Maar ik was wakker. En de kachel was aan. De vlammen van het vuur in de kachel schenen door de kleine gaatjes en de weerschijn danste op het vloerkleed. Het brandende hout knetterde en maakte angstaanjagende geluiden. Mijn hartslag en het beven van mijn lichaam namen toe. Toen ik opnieuw probeerde de lamp te vinden schrok ik plotseling van de man zijn stem.
"Niet bang zijn…niet bang zijn."
Ik staarde meteen naar de kachel. Ik kon mijn ogen niet geloven. De vreemdeling was in mijn kamer, hij stond naast de kachel. Ik sprong op en bijna schreeuwend vroeg ik: "Wie bent U?!".
Zijn tulband hing in lussen om zijn nek. Zachtjes zei hij:"Niet bang zijn".
Hij was verminkt, met benen die boven de knieen waren geamputeerd en hij stond met krukken onder zijn armen. Ik wist niet wat ik moest doen. Misschien was hij van plan mij te doden. Ik dacht aan ontsnappen. Maar dan merkte ik tot mijn verrassing dat de man huilde.
Ik vond de lamp. Ik maakte licht en keek naar hem. Zij gezicht kwam me bekend voor. Misschien had ik hem ergens al eens eerder gezien. Ik kon me niet herinneren waar ik hem gezien had. Geschrokken vroeg ik hem:"Wie ben jij?".
Misschien was hij niet gevaarlijk. Misschien was hij zelf in gevaar en was hij hier gekomen om veilig te zijn.
Hij huilde en gaf geen antwoord op mijn vraag. Zijn kleren waren wit, maar smerig, vol opgedroogde bloedvlekken. Hij pakte een stuk hout dat naast de kachel lag en huilde. De tranen liepen over zijn wangen. Toen ik hem zag huilen werd mijn angst wat minder. Plots herkende ik hem. Hij was de man die ik had gezien op de markt waar hout werd verkocht.
Het duizelde mij. Mijn angst kwam weer terug. Die dag, toen ik hout kocht, had hij vanuit de verte naar mij gekeken. Ik dacht toen dat hij mij misschien voor iemand anders aanzag.
Misschien wilde hij me doden. Ik wilde hem duidelijk maken dat hij mij voor iemand anders hield.
Maar de man huilde, liet mij het stuk hout in zijn hand zien en zei:"Wist jij dat dit stuk hout van het raam van ons huis komt?".
Door deze vraag voelde ik me of hij me met dat stuk hout op mijn hoofd had geslagen. Dit stuk hout is van het raam van zijn huis! Nu begreep ik wat hij zei. Hij was gekomen om wraak te nemen. De stukken hout van zijn huis brandden in mijn kachel. Ik voelde dat ik me in een zeer gevaarlijke situatie bevond. Ik moest hoe dan ook ontsnappen. Ik moest geen aandacht schenken aan zijn gehuil. Misschien was hij krankzinnig. Gekke mensen denken niet logisch. Het was duidelijk dat hij me zou gaan doden met dat stuk hout. Angstig en met trillende stem zei ik:"Maar, ik heb het hout gekocht".
De vreemdeling lachte, hij lachte hard als een krankzinnige. Toen schreeuwde hij woedend:"Ik weet dat je het gekocht hebt! Dat weet ik! Maar weet jij dat dat hout van mijn huis komt?!".
En hij begon weer te huilen. Hij veegde zijn tranen af aan zijn mouwen. Hij nam nog een stuk hout uit de kachel en zei snikkend:"Oh God…oh God…mijn huis…de boekenplank
van mijn zoon…het bloed van mijn zesjarig dochtertje kleeft aan dit stuk hout. Oh mijn lieve God…mijn huis…ons huis…ons huis…ons huis viel boven op ons. Jij weet niet dat we in een regen van kogels zaten. In een seconde is mijn gezin verdwenen. Ik weet niet of de aarde open barstte en hen meenam, of dat ze de lucht ingevlogen zijn, maar ze waren er niet meer. Overal heb ik ze gezocht…mijn vrouw, mijn dochterje, mijn oudste zoon, mijn benen, de wieg, de kast, de ramen en de deuren. Waar is alles? Jij weet niet waar ze zijn. Huh? Nee. Jij verwarmt je kamer maar met het hout. Aah, wat een prettige warmte geeft dat in je kamer!". Er volgde een bulderende lach.
Ik wist nu dat hij niet krankzinnig was. Zij woorden waren niet die van een gek. Zijn stem was een mengeling van lachen en huilen, boosheid en verontwaardiging.
Ik zei nog eens:'Maar ik heb het hout gekocht". En ik rende de kamer uit, de straat op, tot ik met mijn voet tegen een kei stootte. Ik viel op de grond. In de as op de weg.
De stem van de man klonk in mijn oren. De stem kwam uit de as. Ik rilde ervan.
De stem riep:"Jaa vluchten! Vluchten! Stoken! Stoken! Stoken!".
Snel stond ik op en rende verder. De man met de krukken achtervolgde me. Ik liep en ik liep, maar de stem van de man bleef bij me, in mijn oren. Het was alsof de man zonder benen in mijn hoofd zat, in mijn oren en daar tegen me sprak. Hij huilde en lachte. Hij was boos. Hij bleef maar schreeuwen:"In wat voor wereld leven we. Ouders geven kinderen bijlen om hout te hakken. De deuren en ramen van huizen die door de oorlog verwoest zijn, om op de markt te verkopen. Jij weet dit niet. Jij koopt alleen maar hout om je kamer te verwarmen. Het hout van kapotte deuren en ramen wordt op de weegschaal gelegd en verhandeld. Hout van de ramen en deuren van mensen, van hun schilderijen, soms al verbrand door het vuur van geweren en bommen. Het leven en de herinneringen van mensen worden gewogen, gekocht en verkocht. Dit hout draagt de herinneringen van gelukkige gezinnen, van hun lachen. Maak je geen zorgen. Ik kan je niet te pakken krijgen. Zie je, ik heb geen benen om te rennen. Ze hebben me mijn benen afgenomen en me daarvoor in de plaats deze houten krukken gegeven. Jij denkt dat ik gek ben, niet? Weet je, het was mijn vader's huis. Op elk stuk hout zie ik herinneringen uit mijn verleden. Ik hoor het lachen van mijn dochterje er uit. Zie je dat stuk hout? Dat was van de oude wieg van mijn familie. Ja, vlucht! Loop weg van het hout, van de geur van mijn kinderen. Ik ruik mijn oude huis in dit hout. Ik rook het toen ik door jouw straat kwam. De geur kwam van van het hout dat jij aan het stoken was. Ik ben gekomen om mijn huis te zien, mijn kinderen en mijn voorbije leven. Ik ben gekomen om de vredigheid van mijn vroegere huis te voelen in dit hout. Heb jij ooit een huis gehad? Heb jij ooit de vredigheid gevoeld die het geeft als je na een lange dag thuis komt? Ik moet dit hout hebben. Het doet er niet toe wat het kost. Ik wil het terug kopen. Ik zal het bij me dragen om de laatste tekens van mijn voorbije leven te zien, de laatste tekens van mijn kinderen…de vredigheid van een huis. Oh God. Oh God".
Hijgend stond ik op. Ik keek achterom. Het was niet donker. Het bleke maanlicht viel over de huizen en de steegjes. Het was stil in dit straatje, geen voetstap te horen. Misschien had de man zijn achtervolging gestaakt; toch begon ik weer te rennen. Toen hoorde ik geluiden van mensen die me tegemoet kwamen. Ze kwamen van het andere eind van de straat. De stemmen werden luider en luider; stemmen van kinderen en vrouwen. Ik stond aan de kant en zag een menigte vrouwen en kinderen voorbij komen. Ze warem armoedig gekleed en leken gewond. Hun hoofd en gezicht waren in verband gewikkeld. Op hun kleren zaten opgedroogde bloedvlekken. Ze zeiden iets. Ze schreeuwden en huilden. De aarde beefde. De maan, in een hoekje van de hemel, beefde.
De sterren beefden.
De vrouwen en kinderen hadden stukken hout in hun handen; hout van ramen en deuren, van kasten en van wiegen. Ze weeklaagden:" Onze huizen…onze huizen!". Ze zwaaiden met de stukken hout in de lucht.
Ik was bang. Ik rende verder naar een andere straat en verder, en verder. En opeens stond ik in de houtmarkt. De maan verlichtte de hele markt. Het was er druk. Honderden arme mensen, honderden karren, honderden weegschalen, honderden geweren, honderden klanten en honderden verkopers. En er was hout, overal hout, stukken half verbrand met opgedroogd bloed.
De mensen zaten onder het stof; de kinderen zaten onder het stof. Uitgeputte kinderen met houwelen en schoppen.
Hout ging op de weegschalen en geld ging van hand tot hand.
"Kijk, kijk hoe ze mijn leven verhandelen en opstoken. Vlucht! Vluchten moet je!".
Plotseling kwam de man zonder benen uit de menigte op de markt. Hij schoot op me af en viel me aan met zijn krukken. Ik voelde een scherpe pijn in mijn hoofd en schreeuwde.
Ik werd wakker, maakte licht en keek naar de kachel. Alles stond op zijn plaats. Er heerste een beangstigende stilte in de kamer. Zels het geluid van geweren en bommen daarbuiten was minder geworden. Misschien was de oorlog die nacht afgelopen.
De volgende dag gaf ik al het hout aan de kruidenier in onze straat, maar de nachtmerrie liet me niet met rust. De stem van de man klonk in mijn oren, overal waar ik heen ging. Ik kon niet meer naar de houtmarkt, zelfs niet meer naar de kruidenier in onze straat. Ik kon geen as meer zien. Ik vertrok uit die buurt.
Op een morgen, vroeg in de lente, het was nog koud en het had 's nachts gesneeuwd, ging ik een eindje wandelen. De sneeuw en de storm, die onverwacht zijn voor deze tijd van het jaar, hadden alle bloesem vernield, wat iedereen verdrietig maakte.
Ik kwam langs het kerkhof aan het eind van de straat. Ik zag een paar voorbijgangers die over een dode gebogen stonden. Het was het lijk van de man zonder benen. Zijn krukken lagen naast hem. Zijn tulband hing in lussen om zijn nek. Zijn kleren waren smerig en zaten onder opgedroogde bloedvlekken. De zwerfhonden hadden zijn gezicht aangevreten. Hij was doodgeschoten. Hij hield een paar stukken hout in zijn armen. Zij waren blauw en leken van ramen en kasten te komen. Niemand kende hem en niemand wist waarom hij dat hout bij zich had.
Ik werd bang.
Ik keek naar het kerkhof en zag een eenzame boom, waarvan alle bloesem verwelkt was…
Overal waar ik keek verscheen het gezicht van die man voor mijn ogen. In de straten en de bazaars, overal dacht ik dat hij mij volgde. Als ik naar de voorbijgangers keek speurde ik naar hem…een man die met houten krukken liep, zijn benen geamputeerd boven de knieen, in smerige witte kleren die overdekt waren met opgedroogde bloedvlekken en een tulband die in lussen om zijn nek hing.
Deze vreemde, angstaanjagende man liet me nooit met rust, zelfs niet in mijn slaap. Overal was hij bij me. Ik probeerde van hem af te komen maar tevergeefs. Hij was overal bij me en praatte voortdurend tegen me. Hij wilde me niet met rust laten. Hij mompelde iets vlak bij mijn oor, vaag en alsmaar hetzelfde.
Ik dacht erover hem te vinden, met hem te praten en hem te smeken mij met rust te laten; ik ben onschuldig; ik ben niet schuldig, ik heb niks verkeerds gedaan. Maar ik kon hem niet vinden.
De eerste keer dat ik hem zag was in de nieuwe houthandel in de bazaar in onze stad. En ik vond hem in mijn kamer die nacht. Ik vluchtte weg van hem en zag hem niet meer terug, of misschien zag ik hem toch nog een keer.
Die nacht werd ik wakker door de schreeuw van een vrouw. Het was in het holst van de nacht. Verdwaasd stond ik op. Het was donker in de kamer. Ik deed alle moeite om de lamp te vinden, maar voordat ik ze had gevonden verbrak het gierend geluid van een kogel de nachtelijke stilte, en het schreeuwen en gillen van vrouwen vulde de nacht.
Ik wou de lamp vinden. Ik was bang. Misschien was er iemand neergeschoten op straat. Maar…mijn lamp?! Waar was mijn lamp?! Ineens merkte ik dat de kachel in mijn kamer aan was. Verbijsterd staarde ik naar de kachel. Mijn hele lichaam werd door angst bevangen. Hoe kon de kachel vanzelf aan gaan? Ik was al vele dagen alleen. Ik had een hekel aan die kachel, en ook al was het koud in mijn kamer, ik wilde ze toch niet aansteken.
Bevreesd keek ik naar de vlammen in de kachel. Ik wreef een paar keer mijn ogen uit om er zeker van te zijn dat ik wakker was. Maar ik was wakker. En de kachel was aan. De vlammen van het vuur in de kachel schenen door de kleine gaatjes en de weerschijn danste op het vloerkleed. Het brandende hout knetterde en maakte angstaanjagende geluiden. Mijn hartslag en het beven van mijn lichaam namen toe. Toen ik opnieuw probeerde de lamp te vinden schrok ik plotseling van de man zijn stem.
"Niet bang zijn…niet bang zijn."
Ik staarde meteen naar de kachel. Ik kon mijn ogen niet geloven. De vreemdeling was in mijn kamer, hij stond naast de kachel. Ik sprong op en bijna schreeuwend vroeg ik: "Wie bent U?!".
Zijn tulband hing in lussen om zijn nek. Zachtjes zei hij:"Niet bang zijn".
Hij was verminkt, met benen die boven de knieen waren geamputeerd en hij stond met krukken onder zijn armen. Ik wist niet wat ik moest doen. Misschien was hij van plan mij te doden. Ik dacht aan ontsnappen. Maar dan merkte ik tot mijn verrassing dat de man huilde.
Ik vond de lamp. Ik maakte licht en keek naar hem. Zij gezicht kwam me bekend voor. Misschien had ik hem ergens al eens eerder gezien. Ik kon me niet herinneren waar ik hem gezien had. Geschrokken vroeg ik hem:"Wie ben jij?".
Misschien was hij niet gevaarlijk. Misschien was hij zelf in gevaar en was hij hier gekomen om veilig te zijn.
Hij huilde en gaf geen antwoord op mijn vraag. Zijn kleren waren wit, maar smerig, vol opgedroogde bloedvlekken. Hij pakte een stuk hout dat naast de kachel lag en huilde. De tranen liepen over zijn wangen. Toen ik hem zag huilen werd mijn angst wat minder. Plots herkende ik hem. Hij was de man die ik had gezien op de markt waar hout werd verkocht.
Het duizelde mij. Mijn angst kwam weer terug. Die dag, toen ik hout kocht, had hij vanuit de verte naar mij gekeken. Ik dacht toen dat hij mij misschien voor iemand anders aanzag.
Misschien wilde hij me doden. Ik wilde hem duidelijk maken dat hij mij voor iemand anders hield.
Maar de man huilde, liet mij het stuk hout in zijn hand zien en zei:"Wist jij dat dit stuk hout van het raam van ons huis komt?".
Door deze vraag voelde ik me of hij me met dat stuk hout op mijn hoofd had geslagen. Dit stuk hout is van het raam van zijn huis! Nu begreep ik wat hij zei. Hij was gekomen om wraak te nemen. De stukken hout van zijn huis brandden in mijn kachel. Ik voelde dat ik me in een zeer gevaarlijke situatie bevond. Ik moest hoe dan ook ontsnappen. Ik moest geen aandacht schenken aan zijn gehuil. Misschien was hij krankzinnig. Gekke mensen denken niet logisch. Het was duidelijk dat hij me zou gaan doden met dat stuk hout. Angstig en met trillende stem zei ik:"Maar, ik heb het hout gekocht".
De vreemdeling lachte, hij lachte hard als een krankzinnige. Toen schreeuwde hij woedend:"Ik weet dat je het gekocht hebt! Dat weet ik! Maar weet jij dat dat hout van mijn huis komt?!".
En hij begon weer te huilen. Hij veegde zijn tranen af aan zijn mouwen. Hij nam nog een stuk hout uit de kachel en zei snikkend:"Oh God…oh God…mijn huis…de boekenplank
van mijn zoon…het bloed van mijn zesjarig dochtertje kleeft aan dit stuk hout. Oh mijn lieve God…mijn huis…ons huis…ons huis…ons huis viel boven op ons. Jij weet niet dat we in een regen van kogels zaten. In een seconde is mijn gezin verdwenen. Ik weet niet of de aarde open barstte en hen meenam, of dat ze de lucht ingevlogen zijn, maar ze waren er niet meer. Overal heb ik ze gezocht…mijn vrouw, mijn dochterje, mijn oudste zoon, mijn benen, de wieg, de kast, de ramen en de deuren. Waar is alles? Jij weet niet waar ze zijn. Huh? Nee. Jij verwarmt je kamer maar met het hout. Aah, wat een prettige warmte geeft dat in je kamer!". Er volgde een bulderende lach.
Ik wist nu dat hij niet krankzinnig was. Zij woorden waren niet die van een gek. Zijn stem was een mengeling van lachen en huilen, boosheid en verontwaardiging.
Ik zei nog eens:'Maar ik heb het hout gekocht". En ik rende de kamer uit, de straat op, tot ik met mijn voet tegen een kei stootte. Ik viel op de grond. In de as op de weg.
De stem van de man klonk in mijn oren. De stem kwam uit de as. Ik rilde ervan.
De stem riep:"Jaa vluchten! Vluchten! Stoken! Stoken! Stoken!".
Snel stond ik op en rende verder. De man met de krukken achtervolgde me. Ik liep en ik liep, maar de stem van de man bleef bij me, in mijn oren. Het was alsof de man zonder benen in mijn hoofd zat, in mijn oren en daar tegen me sprak. Hij huilde en lachte. Hij was boos. Hij bleef maar schreeuwen:"In wat voor wereld leven we. Ouders geven kinderen bijlen om hout te hakken. De deuren en ramen van huizen die door de oorlog verwoest zijn, om op de markt te verkopen. Jij weet dit niet. Jij koopt alleen maar hout om je kamer te verwarmen. Het hout van kapotte deuren en ramen wordt op de weegschaal gelegd en verhandeld. Hout van de ramen en deuren van mensen, van hun schilderijen, soms al verbrand door het vuur van geweren en bommen. Het leven en de herinneringen van mensen worden gewogen, gekocht en verkocht. Dit hout draagt de herinneringen van gelukkige gezinnen, van hun lachen. Maak je geen zorgen. Ik kan je niet te pakken krijgen. Zie je, ik heb geen benen om te rennen. Ze hebben me mijn benen afgenomen en me daarvoor in de plaats deze houten krukken gegeven. Jij denkt dat ik gek ben, niet? Weet je, het was mijn vader's huis. Op elk stuk hout zie ik herinneringen uit mijn verleden. Ik hoor het lachen van mijn dochterje er uit. Zie je dat stuk hout? Dat was van de oude wieg van mijn familie. Ja, vlucht! Loop weg van het hout, van de geur van mijn kinderen. Ik ruik mijn oude huis in dit hout. Ik rook het toen ik door jouw straat kwam. De geur kwam van van het hout dat jij aan het stoken was. Ik ben gekomen om mijn huis te zien, mijn kinderen en mijn voorbije leven. Ik ben gekomen om de vredigheid van mijn vroegere huis te voelen in dit hout. Heb jij ooit een huis gehad? Heb jij ooit de vredigheid gevoeld die het geeft als je na een lange dag thuis komt? Ik moet dit hout hebben. Het doet er niet toe wat het kost. Ik wil het terug kopen. Ik zal het bij me dragen om de laatste tekens van mijn voorbije leven te zien, de laatste tekens van mijn kinderen…de vredigheid van een huis. Oh God. Oh God".
Hijgend stond ik op. Ik keek achterom. Het was niet donker. Het bleke maanlicht viel over de huizen en de steegjes. Het was stil in dit straatje, geen voetstap te horen. Misschien had de man zijn achtervolging gestaakt; toch begon ik weer te rennen. Toen hoorde ik geluiden van mensen die me tegemoet kwamen. Ze kwamen van het andere eind van de straat. De stemmen werden luider en luider; stemmen van kinderen en vrouwen. Ik stond aan de kant en zag een menigte vrouwen en kinderen voorbij komen. Ze warem armoedig gekleed en leken gewond. Hun hoofd en gezicht waren in verband gewikkeld. Op hun kleren zaten opgedroogde bloedvlekken. Ze zeiden iets. Ze schreeuwden en huilden. De aarde beefde. De maan, in een hoekje van de hemel, beefde.
De sterren beefden.
De vrouwen en kinderen hadden stukken hout in hun handen; hout van ramen en deuren, van kasten en van wiegen. Ze weeklaagden:" Onze huizen…onze huizen!". Ze zwaaiden met de stukken hout in de lucht.
Ik was bang. Ik rende verder naar een andere straat en verder, en verder. En opeens stond ik in de houtmarkt. De maan verlichtte de hele markt. Het was er druk. Honderden arme mensen, honderden karren, honderden weegschalen, honderden geweren, honderden klanten en honderden verkopers. En er was hout, overal hout, stukken half verbrand met opgedroogd bloed.
De mensen zaten onder het stof; de kinderen zaten onder het stof. Uitgeputte kinderen met houwelen en schoppen.
Hout ging op de weegschalen en geld ging van hand tot hand.
"Kijk, kijk hoe ze mijn leven verhandelen en opstoken. Vlucht! Vluchten moet je!".
Plotseling kwam de man zonder benen uit de menigte op de markt. Hij schoot op me af en viel me aan met zijn krukken. Ik voelde een scherpe pijn in mijn hoofd en schreeuwde.
Ik werd wakker, maakte licht en keek naar de kachel. Alles stond op zijn plaats. Er heerste een beangstigende stilte in de kamer. Zels het geluid van geweren en bommen daarbuiten was minder geworden. Misschien was de oorlog die nacht afgelopen.
De volgende dag gaf ik al het hout aan de kruidenier in onze straat, maar de nachtmerrie liet me niet met rust. De stem van de man klonk in mijn oren, overal waar ik heen ging. Ik kon niet meer naar de houtmarkt, zelfs niet meer naar de kruidenier in onze straat. Ik kon geen as meer zien. Ik vertrok uit die buurt.
Op een morgen, vroeg in de lente, het was nog koud en het had 's nachts gesneeuwd, ging ik een eindje wandelen. De sneeuw en de storm, die onverwacht zijn voor deze tijd van het jaar, hadden alle bloesem vernield, wat iedereen verdrietig maakte.
Ik kwam langs het kerkhof aan het eind van de straat. Ik zag een paar voorbijgangers die over een dode gebogen stonden. Het was het lijk van de man zonder benen. Zijn krukken lagen naast hem. Zijn tulband hing in lussen om zijn nek. Zijn kleren waren smerig en zaten onder opgedroogde bloedvlekken. De zwerfhonden hadden zijn gezicht aangevreten. Hij was doodgeschoten. Hij hield een paar stukken hout in zijn armen. Zij waren blauw en leken van ramen en kasten te komen. Niemand kende hem en niemand wist waarom hij dat hout bij zich had.
Ik werd bang.
Ik keek naar het kerkhof en zag een eenzame boom, waarvan alle bloesem verwelkt was…
De Witte Hond
Auteur: Abdulghader Muradi
Oorspronkelijk verschenen in de verhalenbundel: “Regenachtige nacht”, 1989.
Vertaald door Zaher Murady en Adrie Erné
Oorspronkelijk verschenen in de verhalenbundel: “Regenachtige nacht”, 1989.
Vertaald door Zaher Murady en Adrie Erné
De witte hond
De witte hond was moe en lui. Hij had een lege maag. Hij lag in zon op de stinkende-as- heuvel.
Hij hoorde niet zo ver weg geblaf van honden en menselijk stemmen.
Iemand riep: de hond van Mirzagul is de winnaar!
Iemand anders schreeuwde heel blij: “Nee, Tellaboy is de winnaar!”
De naam Tellaboy kwam de witte hond heel bekend voor. Hij kende Tellaboy heel goed. Een paar weken geleden had de witte hond hem verlaten. Hij leefde nu net zo als de andere ongelukkige straathonden. Zijn leven was heel moeilijk en vies geworden.
De witte hond was de enige bekende vechthond. Iedereen in de wijk kende hem. Andere hondenexploitanten waren jaloers op Tellaboy. Niemand had zo een goede vechtershond.
Toen hij nog bij Tellaboy was, had de witte hond een prachtig leven, maar nu moest hij wachten of de slager een stukje vlees of bot weggooide naar de honden.
Hij wist nog precies hoe het leven met Tellaboy was. Hij had genoeg te eten en kon lekker rustig slapen. Bij Tellaboy had hij altijd een eigen verzorger gehad. Maar nu moest hij het oude bloed van de grond aflikken en wachten op een stukje stinkend rottend vlees of bot. Het nieuwe leven was moeilijk en pijnlijk voor hem, maar hij had toch gelijk het goede leven bij Tellaboy te verlaten.
De witte hond stond op en liep wat rond, hij keek naar de andere honden. Alle honden hadden een lege maag en waren mager en dun; hun botten staken eruit. Ze waren allemaal moe en snuffelden in de aarde, om iets te eten te zoeken.
Als één van hen een stukje bot vond, vluchtte hij gelijk weg. De anderen renden dan luid blaffend achter hem aan. Dan volgde er een vreselijk lawaai en werd er een paar minuten gevochten. Plotseling werd het stil, wanneer de sterkste gewonnen had.
De witte hond dacht bij zichzelf: “Misschien hebben deze honden net zo”n goed leven als ik gehad en waren ze ook moe van het goede leven en zijn ze om dezelfde reden als ik hier gekomen”. Hij zei tegen zichzelf: “Ze hebben gelijk”.
Ook hij moest Tellaboy verlaten; hij kon het vechten niet langer meer verdragen. In z’n hoofd bleef steeds één vraag hangen: “Waarom en waarvóór lieten ze ons vechten? In z’n hoofd hoort hij de stemmen van mensen; mensen die plezier hebben om het vechten. Hij ziet het strijdveld voor zich en herinnert zich de tijd dat hij bij Tellaboy was. Elke week moest hij één keer naar het strijdveld gaan, om de tegenstanders te overwinnen. Hij vocht net zo lang, totdat z’n tegenstander wegrende. Elke keer als hij won, werd zijn eigenaar nog trotser op hem. Maar hij vroeg zich steeds af: “Hoe lang moet ik nog vechten?” .Toen hij nog op het strijdveld was, kon hij heel goed vechten, maar dit vechten was opgelegd; hij wílde nooit vechten; altijd vocht hij voor de eigenaar. “Waarom dwongen ze ons steeds weer om te vechten?”, deze vraag blijft maar in zijn hoofd hameren.
Nogmaals keek de witte hond om zich heen naar de andere honden. Ze likten het droge oude bloed op. Allemaal hadden ze afgeknipte staarten en oren.
Van een afstand hoorde hij nog steeds geblaf van honden en het geluid van mensen; daar was een hondengevecht! Iemand schreeuwt: “Tellaboy is winnaar!”. Anderen zeggen:”Sinds wanneer? Mirzagul is winnaar!”.
De witte hond wordt onrustig van al die stemmen in zijn hoofd en zegt tegen zichzelf: “Deze mensen blijven ons maar tegen elkaar laten vechten” en gelijkertijd komt het gevoel in hem op: “er komt een dag dat deze vechthonden ook moe worden van het vechten en ook hier, bij de slagerij, komen leven. Hij doet zijn ogen dicht en voelt een zware pijn in z’n hart en vraagt zichzelf: ”Wat heeft het leven voor zin?”
Iemand schreeuwt tussen het geblaf van honden door: ”Tellaboy,Tellaboy!”. Hij haat Tellaboy; hij haat z’n grote buik en z’n dikke vleselijke nek. Uit wanhoop zou hij in zijn nek willen bijten of zijn buik willen openrijten!
De witte hond dacht terug aan de dag dat deze haat begon. Op een dag kwam Tellaboy met een teefje en zei tegen de bediende: “We moeten fokken met de witte hond, dan kunnen de puppies straks ook voor ons vechten!
Na een tijdje verscheen Tellaboy met kleine, dikke, mooie witte puppies. Toen de witte hond de kleintjes zag, werd hij heel blij van binnen. O, wat hield hij van die kleintjes! Ze kwamen naar hem toe, snuffelden aan hem en likten z’n wangen. Hij kreeg er echt plezier in! Maar de blijheid van de witte hond duurde niet lang. Tellaboy zei tegen de bediende: “Deze kleintjes worden later net als hun vader vechters!”. Daarna gaf Tellaboy de bediende een bijl en zei: “Hak de oren en de staarten af!”Toen de witte hond dt hoorde, schrok hij op. Hij wist wel, dat de oren en staarten van vechthonden werden afgehouwen, maar hij kon zo’n zware pijn niet verdragen. Hij moest toekijken, maar kon er niets aan veranderen. Vanuit een hoekje zat hij naar de kleine puppies te kijken en zag toe hoe de bediende met twee of drie bewegingen van de bijl, de oren en de staarten afhakte. De kleintjes piepten en jankten. Het bloed stroomde op de grond. De witte hond begon ook te janken; op dit moment voelde hij de pijnin zijn eigen oren en staart. Hij keek naar de bijl met het bloed en zijn hart vult zich met pijn en veroorzaakt beroering van binnen. Zijn ogen werden donker en hij dacht terug aan de dag, dat hij zelf nog een mooie puppie was en zijn eigen oren en staart werden afgehakt. In zijn hart ontvlamde zich een vuur. Op dit moment wilde hij Tellaboy bespringen en met zijn tanden zijn grote buik en zijn hangende nekvlees openrijten!.
De herinnering aan deze dag blijft nog steeds terugkomen. Hij heeft ook nog goed onthouden, dat er de volgende dag een strijd tussen honden was. Op het strijdveld schreeuwde iemand: “De hond van Tellaboy is de winnaar!” Iemand anders riep: “Nee, nee, sinds wanneer? De hond van Mirzagul is winnaar.”Het gevecht ging nog steeds door. Het publiek klapte in hun handen en joelde steeds harder. Ze waren verrukt van de wedstrijd! De witte hond zag, dat Tellaboy overstelpt werd door vreugde, nog meer dan de rest van het publiek. Bij elke aanval groeide Tellaboy’s vreugde en trots. De witte hond zag, dat het oor van zijn tegenstander ging bloeden en dit veroorzaakte een schok van binnen. Hij moest denken aan wat er met de puppies gebeurd was. Hij zag overal bloed, keek naar Tellaboy en de bloederige bijl kwam in herinnering!Hij kon niet meer stil staan; hij moest iets doen; hij moest wraak nemen op Tellaboy! Plotseling werd het lawaai van het publiek sterker: het publiek, klapte, lachtte en schreeuwde: “Tellaboy is gevlucht!” De witte hond vluchtte weg, kon nergens heen en kwam hier terecht. Hij is nooit meer naar Tellaboy teruggegaan.Toch wist hij dat Tellaboy hem nooit zou laten gaan. De bediende van Tellaboy was hier al een paar keer geweest om de witte hond te zoeken en te grijpen.
Tellaboy was vanaf deze dag erg kwaad, omdat zijn reputatie beschadigd.De andere hondenexploitanten minachtten hem. Tellaboy was zo woedend dat de witte hond erg bang voor Tellaboy werd.
Op een dag zat Tellaboy hem achterna. Hij hoorde het lawaai en geschreeuw van mensen, iedereen lachtte en ze riepen: “O, o Tellaboy is gevlucht, Tellaboy is gevlucht!”
Toen de witte hond dit lawaai hoorde, schrok hij nogmaals op. Hij spitste zijn oren en begreep dat Tellaboy nog een keer had verloren en dat hij zij reputatie helemaal kwijt was.nog een keer kwam de bloederige bijl in zijn herinnering en de kleine puppies. Hij zegt een beetje blij tegen zichzelf: “Goedzo, je bent gevlucht, goed zo…”hij voelt zich plezierig en rustig en door de warmte van de zon werd hij een beetje slaperig. Hij zei tegen zichzelf:”Het maakt nu niets meer uit voor mij, ik heb het goed gedaan, Tellaboy mag alles met mij doen…Met deze gedachte viel hij in slaap op de as-heuvel…
Na een paar minuutjes schritk hij op uit zijn slaap en kijkt gespannen om zich heen. Hij ruikt gevaar. De geur van Tellaboy dringt in zijn neusgaten. Hij springt op en kijkt om zich heen. Het was intussen koud geworden, de zon ging onder. Hij zag Tellaboy op een paard naar hem toe komen, met een groot geweer in zijn hand. Toen hij de witte hond zag, richtte hij zijn geweer. De witte hond vlucht, hij hoort het lawaai van de kogels in de ruimte. De witte hond vliegt in de lucht en hij valt neer op de aas-heuvel. De witte hond jankte en wentelde twee of drie keer in de as. Hij kan niet meer overeind komen.na een poosje doet hij even zij ogen open. Hij ziet tellaboy met het geweer. Tellaboy staat boven hem, ademde zwaar en zei toen met het geweer op hem gericht:”Dit is jouw straf”. Terwijl de witte hond in doodstrijd was, hoorde hij nog: ”Tellaboy is gevlucht, Tellaboy is gevlucht…” toen kwam er een plezierige rust over de witte hond, hij voelde niets meer en legde zijn kop op de bloederige as.
De witte hond was moe en lui. Hij had een lege maag. Hij lag in zon op de stinkende-as- heuvel.
Hij hoorde niet zo ver weg geblaf van honden en menselijk stemmen.
Iemand riep: de hond van Mirzagul is de winnaar!
Iemand anders schreeuwde heel blij: “Nee, Tellaboy is de winnaar!”
De naam Tellaboy kwam de witte hond heel bekend voor. Hij kende Tellaboy heel goed. Een paar weken geleden had de witte hond hem verlaten. Hij leefde nu net zo als de andere ongelukkige straathonden. Zijn leven was heel moeilijk en vies geworden.
De witte hond was de enige bekende vechthond. Iedereen in de wijk kende hem. Andere hondenexploitanten waren jaloers op Tellaboy. Niemand had zo een goede vechtershond.
Toen hij nog bij Tellaboy was, had de witte hond een prachtig leven, maar nu moest hij wachten of de slager een stukje vlees of bot weggooide naar de honden.
Hij wist nog precies hoe het leven met Tellaboy was. Hij had genoeg te eten en kon lekker rustig slapen. Bij Tellaboy had hij altijd een eigen verzorger gehad. Maar nu moest hij het oude bloed van de grond aflikken en wachten op een stukje stinkend rottend vlees of bot. Het nieuwe leven was moeilijk en pijnlijk voor hem, maar hij had toch gelijk het goede leven bij Tellaboy te verlaten.
De witte hond stond op en liep wat rond, hij keek naar de andere honden. Alle honden hadden een lege maag en waren mager en dun; hun botten staken eruit. Ze waren allemaal moe en snuffelden in de aarde, om iets te eten te zoeken.
Als één van hen een stukje bot vond, vluchtte hij gelijk weg. De anderen renden dan luid blaffend achter hem aan. Dan volgde er een vreselijk lawaai en werd er een paar minuten gevochten. Plotseling werd het stil, wanneer de sterkste gewonnen had.
De witte hond dacht bij zichzelf: “Misschien hebben deze honden net zo”n goed leven als ik gehad en waren ze ook moe van het goede leven en zijn ze om dezelfde reden als ik hier gekomen”. Hij zei tegen zichzelf: “Ze hebben gelijk”.
Ook hij moest Tellaboy verlaten; hij kon het vechten niet langer meer verdragen. In z’n hoofd bleef steeds één vraag hangen: “Waarom en waarvóór lieten ze ons vechten? In z’n hoofd hoort hij de stemmen van mensen; mensen die plezier hebben om het vechten. Hij ziet het strijdveld voor zich en herinnert zich de tijd dat hij bij Tellaboy was. Elke week moest hij één keer naar het strijdveld gaan, om de tegenstanders te overwinnen. Hij vocht net zo lang, totdat z’n tegenstander wegrende. Elke keer als hij won, werd zijn eigenaar nog trotser op hem. Maar hij vroeg zich steeds af: “Hoe lang moet ik nog vechten?” .Toen hij nog op het strijdveld was, kon hij heel goed vechten, maar dit vechten was opgelegd; hij wílde nooit vechten; altijd vocht hij voor de eigenaar. “Waarom dwongen ze ons steeds weer om te vechten?”, deze vraag blijft maar in zijn hoofd hameren.
Nogmaals keek de witte hond om zich heen naar de andere honden. Ze likten het droge oude bloed op. Allemaal hadden ze afgeknipte staarten en oren.
Van een afstand hoorde hij nog steeds geblaf van honden en het geluid van mensen; daar was een hondengevecht! Iemand schreeuwt: “Tellaboy is winnaar!”. Anderen zeggen:”Sinds wanneer? Mirzagul is winnaar!”.
De witte hond wordt onrustig van al die stemmen in zijn hoofd en zegt tegen zichzelf: “Deze mensen blijven ons maar tegen elkaar laten vechten” en gelijkertijd komt het gevoel in hem op: “er komt een dag dat deze vechthonden ook moe worden van het vechten en ook hier, bij de slagerij, komen leven. Hij doet zijn ogen dicht en voelt een zware pijn in z’n hart en vraagt zichzelf: ”Wat heeft het leven voor zin?”
Iemand schreeuwt tussen het geblaf van honden door: ”Tellaboy,Tellaboy!”. Hij haat Tellaboy; hij haat z’n grote buik en z’n dikke vleselijke nek. Uit wanhoop zou hij in zijn nek willen bijten of zijn buik willen openrijten!
De witte hond dacht terug aan de dag dat deze haat begon. Op een dag kwam Tellaboy met een teefje en zei tegen de bediende: “We moeten fokken met de witte hond, dan kunnen de puppies straks ook voor ons vechten!
Na een tijdje verscheen Tellaboy met kleine, dikke, mooie witte puppies. Toen de witte hond de kleintjes zag, werd hij heel blij van binnen. O, wat hield hij van die kleintjes! Ze kwamen naar hem toe, snuffelden aan hem en likten z’n wangen. Hij kreeg er echt plezier in! Maar de blijheid van de witte hond duurde niet lang. Tellaboy zei tegen de bediende: “Deze kleintjes worden later net als hun vader vechters!”. Daarna gaf Tellaboy de bediende een bijl en zei: “Hak de oren en de staarten af!”Toen de witte hond dt hoorde, schrok hij op. Hij wist wel, dat de oren en staarten van vechthonden werden afgehouwen, maar hij kon zo’n zware pijn niet verdragen. Hij moest toekijken, maar kon er niets aan veranderen. Vanuit een hoekje zat hij naar de kleine puppies te kijken en zag toe hoe de bediende met twee of drie bewegingen van de bijl, de oren en de staarten afhakte. De kleintjes piepten en jankten. Het bloed stroomde op de grond. De witte hond begon ook te janken; op dit moment voelde hij de pijnin zijn eigen oren en staart. Hij keek naar de bijl met het bloed en zijn hart vult zich met pijn en veroorzaakt beroering van binnen. Zijn ogen werden donker en hij dacht terug aan de dag, dat hij zelf nog een mooie puppie was en zijn eigen oren en staart werden afgehakt. In zijn hart ontvlamde zich een vuur. Op dit moment wilde hij Tellaboy bespringen en met zijn tanden zijn grote buik en zijn hangende nekvlees openrijten!.
De herinnering aan deze dag blijft nog steeds terugkomen. Hij heeft ook nog goed onthouden, dat er de volgende dag een strijd tussen honden was. Op het strijdveld schreeuwde iemand: “De hond van Tellaboy is de winnaar!” Iemand anders riep: “Nee, nee, sinds wanneer? De hond van Mirzagul is winnaar.”Het gevecht ging nog steeds door. Het publiek klapte in hun handen en joelde steeds harder. Ze waren verrukt van de wedstrijd! De witte hond zag, dat Tellaboy overstelpt werd door vreugde, nog meer dan de rest van het publiek. Bij elke aanval groeide Tellaboy’s vreugde en trots. De witte hond zag, dat het oor van zijn tegenstander ging bloeden en dit veroorzaakte een schok van binnen. Hij moest denken aan wat er met de puppies gebeurd was. Hij zag overal bloed, keek naar Tellaboy en de bloederige bijl kwam in herinnering!Hij kon niet meer stil staan; hij moest iets doen; hij moest wraak nemen op Tellaboy! Plotseling werd het lawaai van het publiek sterker: het publiek, klapte, lachtte en schreeuwde: “Tellaboy is gevlucht!” De witte hond vluchtte weg, kon nergens heen en kwam hier terecht. Hij is nooit meer naar Tellaboy teruggegaan.Toch wist hij dat Tellaboy hem nooit zou laten gaan. De bediende van Tellaboy was hier al een paar keer geweest om de witte hond te zoeken en te grijpen.
Tellaboy was vanaf deze dag erg kwaad, omdat zijn reputatie beschadigd.De andere hondenexploitanten minachtten hem. Tellaboy was zo woedend dat de witte hond erg bang voor Tellaboy werd.
Op een dag zat Tellaboy hem achterna. Hij hoorde het lawaai en geschreeuw van mensen, iedereen lachtte en ze riepen: “O, o Tellaboy is gevlucht, Tellaboy is gevlucht!”
Toen de witte hond dit lawaai hoorde, schrok hij nogmaals op. Hij spitste zijn oren en begreep dat Tellaboy nog een keer had verloren en dat hij zij reputatie helemaal kwijt was.nog een keer kwam de bloederige bijl in zijn herinnering en de kleine puppies. Hij zegt een beetje blij tegen zichzelf: “Goedzo, je bent gevlucht, goed zo…”hij voelt zich plezierig en rustig en door de warmte van de zon werd hij een beetje slaperig. Hij zei tegen zichzelf:”Het maakt nu niets meer uit voor mij, ik heb het goed gedaan, Tellaboy mag alles met mij doen…Met deze gedachte viel hij in slaap op de as-heuvel…
Na een paar minuutjes schritk hij op uit zijn slaap en kijkt gespannen om zich heen. Hij ruikt gevaar. De geur van Tellaboy dringt in zijn neusgaten. Hij springt op en kijkt om zich heen. Het was intussen koud geworden, de zon ging onder. Hij zag Tellaboy op een paard naar hem toe komen, met een groot geweer in zijn hand. Toen hij de witte hond zag, richtte hij zijn geweer. De witte hond vlucht, hij hoort het lawaai van de kogels in de ruimte. De witte hond vliegt in de lucht en hij valt neer op de aas-heuvel. De witte hond jankte en wentelde twee of drie keer in de as. Hij kan niet meer overeind komen.na een poosje doet hij even zij ogen open. Hij ziet tellaboy met het geweer. Tellaboy staat boven hem, ademde zwaar en zei toen met het geweer op hem gericht:”Dit is jouw straf”. Terwijl de witte hond in doodstrijd was, hoorde hij nog: ”Tellaboy is gevlucht, Tellaboy is gevlucht…” toen kwam er een plezierige rust over de witte hond, hij voelde niets meer en legde zijn kop op de bloederige as.
Subscribe to:
Posts (Atom)